Oude verhalen

Tijdens het opruimen van het archief in het Raadhuis vinden wij, Harma Baak en Trees Korver, oude verhalen. Hieronder een speech geschreven door Henk Ubbels Sr. naar aanleiding van het 10-jarig bestaan van VV Jisp. Met dank aan Harma voor het uitwerken van dit verhaal.

1933                                       14 April                                                     1943

Sportvrienden, Feestgenoten!

10 jaar is in de wereldloop slechts een korte spanne tijds, maar voor een voetbalclub op een zo klein plaatsje als het onze, wil het toch heel wat zeggen.

Veel kan er in 10 jaar gebeuren en er is inderdaad zoveel gepasseerd dat we ter wille van de tijd genoodzaakt zijn om met zevenmijlslaarzen aan de afgelegde 10 jaren onder de loupe te nemen.

Eigenlijk moeten we nog verder terug gaan (nl. naar de voortijd zooals geschiedkundigen dat noemen), toen we als peuters van een jaar of 10 reeds wedstrijden tegen Wormer speelden.           

Dat was een prachtige tijd! Wekenlang werd er getraind, en heel wat ballen sneuvelden in het prikkeldraad achter bij Reindert, zooals we het terreintje achter het Mollenpad nog altijd noemen, alvorens de groote dag was aangebroken.

Daar werd trouwens heel wat van onze voetbalkennis gevergd: want schoot je ook maar even te hard of te hoog dan lag de bal te water of in de tuin van wijlen Jan Praag die op zijn beurt dan achter het monster aanholde.

Hij deed dan echter niet zoo stom als die voetballers, U weet wel die eerst hard loopen en als ze de bal te pakken hebben hem weer wegschoppen, maar oude Praag rekende de bal zonder pardoes in. Dan werd gesmeekt en gebedeld om het begeerde kleinood weer terug te krijgen en als dat niet hielp werden er krijgslisten bedacht om de bal weer in ons bezit te krijgen.

Zoo herinner ik me nog het best hoe Praag ons weer eens een bal afhandig had gemaakt en hoe geraffineerd we die weer terug kregen.

Dat zat zoo. Rakelings ging er een bal over de schutting van Klopper en ’t volgende oogenblik keken we allen in bange stilte door de spleten van de schutting of de bal werd opgemerkt. Die stilte werd altijd funest, want daaraan merkte de tuinman wel dat er iets niet in orde was. Zo ging het ook toen. Secuur werd de bal ingerekend en … achter de rietmatten die aan de Ketelsloot stonden neergelegd. Goede raad was duur, maar al spoedig werd een krijgsplan in elkaar gezet. We besloten met Praag te onderhandelen, stapten resoluut op hem af, maar vanwege de plat getrapte spinazie en andere groenten werden we reeds achtervolgd voordat de besprekingen een aanvang namen.

Ons strategisch plan lukte volkomen, want onderwijl wij op de vlucht gingen (volgens de planning) brak Cor Fontijn, die met een bootje stiekem had aangelegd, door de rietschutting heen en slaagde er in het kostbare bezit te heroveren.

Wat uitrusting betreft was Wormer ons stukken op voor. We hadden al gauw in de gaten dat er 5 spelers met voetbalschoenen waren, maar toen de wedstrijd begon hadden ze er allemaal één. Wat was nl. het geval? Wie links was kreeg een linkerschoen en wie rechts was een rechter, zodat de heeren op klomp-schoen voetbalden. Alleen de keeper was op klompen.

Wij hadden echter het voordeel dat er eerst wel eens een klomp op ’t doel aanvloog en dan de bal: U weet wel zoon keiharde tennisbal, zoodat de keeper wel eens niet wist hoe hij het veege lijf moest redden. ’t Slot eindigde altijd in een vechtpartij, zoodat een eigenlijk eindresultaat nooit verkregen werd. Weken duurde het dan eer je weer zonder snelkloppend hart door Wormer ging.

In alles leek zoon wedstrijd op een ‘echte’ match, reclamebiljetten veschenen, echte doelen werden gemaakt en na afloop weden grote verslagen geschreven die aan de boomen werden geplakt om de volke kond te doen dat de zooveelste gulden bladzijde aan de Jisper geschiedenis was toegevoegd.

Met de doelen werd altijd gezwendeld. We hadden twee palen met één touw als bovenlat, maar de verliezende keeper was altijd in actie om de palen dichter bij elkaar te zetten, waardoor de lijn gevierd werd en ’t doel steeds kleiner werd.

Ik zou U nog tal van annecdotes uit deze voortijd kunnen vertellen, maar ik ben bang ’t aan de stok te zullen krijgen met de feestcommissie.

Natuurlijk werd de toestand op slot onhoudbaar en na lang aanhouden kreeg de Jisper jeugd van ’t gemeentebestuur tenslotte een voetbalterrein.

Enkele voortvarende jongelui hadden reeds een club opgericht, die op 14 april 1933 officieel het levenslicht aanschouwde.

Op een Goede Vrijdag gaf burgemeester Voster de aftrap en daarmee had hij zoowel in letterlijke als figuurlijke zin de zaak aan het rollen gebracht.

Ook bij de ouderen werd de belangstelling voor Koning Voetbal levendig en 1 juli 1933 toog een ploeg naar Knollendam voor een avondwedstrijd, die voor ’t grootste gedeelte samengesteld was uit dezelfde spelers die vanmiddag het tegenwoordige 1e elftal zoo kranig partij hebben gegeven.

Met een 5-1 zege keerde men uit de rapenstad terug en meteen was nu de grondslag gelegd voor een seniorenelftal.

In een openluchtvergadering werd een bestuur gekozen en dit toog direct aan het werk om te trachten een voetbalterrein te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldeed.

Aan voortvarendheid had men in die dagen geen gebrek, want ofschoon we nog niet eens een terrein bezaten werd evengoed aan de competitie deelgenomen. Onze eerste officieele wedstrijd speelden we in Oostzaan tegen O.S.V. 6?. Aan belangstelling hadden we daar geen gebrek, want het publiek dat een wedstrijd van O.S.V. 1 bijwoonde, kwam na afloop naar onze wedstrijd kijken. De blauwwitten lieten zich door de honderden Oostzaners echter niet intimideren en zoo werd ons eerste optreden een succes. Kampioen werden we echter niet, dat bewaarden we voor het tweede lustrum!

Doordat het terrein niet tijdig klaar kon komen werden de thuiswedstrijden op het terrein van de inmiddels reeds weer opgeheven voetbalvereniging Wijde-Wormer gespeeld. We hebben daar menig uurtje vrolijk doorgebracht.

Met de inrichting van het terrein kwam heel wat kijken en daarom werden een bazar en een verloting georganiseerd om aan de noodige financiën te komen. Door het prachtige werk van de gevormde bazarcommissie werden zowel bazar als verloting een daverend succes.

De propaganda die voor een en ander gemaakt werd was reusachtig, lange kolommen verschenen in de krant en U zult zich zeker nog wel dat groote wijf, Vrouw Glijnis heette ze geloof ik, herinneren, die voor de propaganda wagen uitliep.

Woensdagsmiddags bezochten we met haar de Kanaaldijk, waar het monster schrik en ontsteltenis onder de kolonisten teweeg bracht. Tegen een boomtak liep ze tenslotte te pletter en dit beteekende het einde en de ontmaskering van deze 3 meter lange vrouw, die een schepping van Cornelis Nool geweest moet zijn.

Na hard werken kon het nieuwe terrein op 12 Augustus 1934 geopend worden en was onze gemeente een sportterrein rijk geworden, waar vele K.N.V.B. clubs nog jaloersch en reikhalzend naar uitzien.

Velen waren gekomen om dit belangrijke gebeuren van nabij gade te slaan. De eerste klap was meteen raak ook, want Knollendam, dat ons altijd zeer met het spelen van vriendschappelijke wedstrijden terwille is geweest, werd met 6-2 verslagen.

Vele wedstrijden die het voor de geest halen waard zouden zijn, werden in de afgeloopen 10 jaar gespeeld en daarbij denken we ook aan de gecostumeerde en veteranenwedstrijden die steeds een groot succes werden.

1935 en 1936 beteekenden hoogtepunten in de Jisper voetbalgeschiedenis, daar niet minder dan 4 elftallen aan de competitie deelnamen en de adspiranten a het kampioenschap hunner afdeling behaalden. Groot was toen de vreugde en nog zien we de sensationele strijd op de Koog die de onzen gelijk met Q.S.C.6? bracht. Jammer is ’t dat toen de luchtsprong van Meester Groen niet opgenomen is, want hij zal zeker niet ver van een nieuw gevestigd record hoogspringen af geweest zijn.

De beslissingswedstrijd werd in de verlenging ten gunste van Q.S.C. beslist, maar een jaar later kon ook in Jisp de kampioensvlag gehesen worden.

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst zegt een bekend spreekwoord en dit is wel zeer duidelijk gebleken, want ’t eerste elftal dat nu het kampioenschap der tweede klasse behaalde bestaat uit de kern van wat eens Jisp a was.

Na iedere bloeitijd komt er ook weer een tijd van neergang en ’t was voor me  minder prettig, dat ikzelf juist aangewezen werd om te trachten het Jisper voetbalschip door de branding te loodsen. Ons scheepje slingerde en kraakte soms geducht, maar dank zij een trouwe bemanning zijn we de moeilijkheden te boven kunnen komen en heb ik, toen ander werk me wachtte, ’t roer aan de tegenwoordige schipper kunnen overgeven.

Aan de propaganda heeft ons bestuur altijd een groote waarde gehecht en daarom is ’t jammer dat ons clubblad “De Schakel” op hooger gezag niet meer mocht verschijnen. Indien de tijden echter veranderen, dan zal ook dit weer in orde komen.

Veel succes heeft de vereeniging geboekt met het houden van de athletiek dagen, die voor velen een stimulans zijn om de training ernstiger ter hand te nemen. Vorig jaar ging de athletiekdag niet door, maar we hopen van ganser harte dat hij dit jaar weer in eere hersteld zal worden.

In het veroveren van eeremetaal zijn we nooit fortuinlijk geweest, maar nu de dames der leden zoo gul zijn ons een medaillekast aan te bieden, zijn we aan onze eer verplicht daar verbetering in aan te brengen.

Toch hadden we ook wel eens succes na ’s morgens na een sensationeele autorit in Oostzaan met 3-0 van O.F.C. te hebben gewonnen, sleepten we ’s avonds in Knollendam een lauwertak in de wacht.

Wie eenmaal steelt is altijd een dief, en een zeker iemand van het eerste kan daarover meepraten. Toen we ons in ’t donker daar op die bewuste avond gehaast gingen aankleden, want een half uur later zouden we in de revue van “Onderling Hulpbetoon” meespelen, miste Kobus Fontijn nl. zijn hemd.

Nu was dat geen kleinigheid, want op ’t oogenblik moet je voor een dergelijke baljurk geloof ik ongeveer 70 punten inleveren. Kobus liet ’t er natuurlijk niet bij zitten, en onder groote hilariteit bleek, dat juist de kleinste van ’t gezelschap zich vergist had. Hoe ’t mogelijk is begrijpt niemand, want ’t hemd hing op zijn tenen. De jongens van ’t eerste hebben ’t altijd onthouden, want er kan nu eens niet wat weg zijn of ’t is direct: Kijk ….. nu ik zal geen namen noemen hoor, die eens een volle koffer hebben …..

Aan grappige voorvallen zou ik de avond vol kunnen praten, maar dat is niet de bedoeling. We zijn hier nu eenmaal gekomen om met elkaar op eenvoudige maar gezellige wijze het 2e lustrum en het kampioenschap van het 1e elftal te vieren.  ’t Vervult ons met groote dankbaarheid dat we hier met onze blauwwitte familie dit heugelijke feit kunnen herdenken.

Men zal zich wellicht afvragen of zo’n voetbalclub nu wel zo belangrijk is. Nu dan is kort en bondig ons antwoord: Ja!

Zeker er zijn veel belangrijker dingen, maar ’t is toch maar een prachtige vooruitgang dat de jeugd van nu niet meer beneveld wordt in verderfelijke kroegen, zooals vroeger maar al te vaak het geval was.

Instede van vechtpartijen bekampen de jongens elkaar nu op het groene veld, waar zij ontspanning en levensblijheid opdoen en zich vrienden verwerven.

Dat sport verbroedert wordt wel eens in twijfel getrokken, doch dit is o.i. ten onrechte. Kijk maar eens naar de interlandwedstrijden zooals Holland-België bijvoorbeeld.

Zelf ben ik wel naar Antwerpen geweest met nog 20.000 landgenooten. Mensen uit alle lagen der bevolking, van verschillende wereldbeschouwing maar die, toen het Wilhelmus weerklonk allen eerbiedig het hoofd ontblootten en zonder dwang of anderszins dit schoone lied meezongen. Men was één!

Natuurlijk is er kaf onder het koren, en daarom is het de moeilijke maar schoone taak van de leiders om de jeugd een behoorlijke sportopvoeding te geven. Opvoeding is daarom van zo groot belang omdat de toekomst der mensheid en de cultuur hiermee nauw samen hangen.

De loop der gebeurtenissen heeft maar al te zeer bewezen tot welk een rampzalige gevolgen een verkeerd opgevoede jeugd kan leiden.

Eerbied voor andermans prestaties en vooral gemeenschapsplicht moet hen bijgebracht worden. ’t Is van groot belang dat ze al gauw inzien dat een club van voetballen niet kan bestaan.

“Een jeugd zonder idealen is een ramp voor een volk” heeft Adama van Scheltema eens gezegd en deze woorden bevatten een groote waarheid.          De voetbalsport geeft ontspanning aan tienduizenden in den lande en ook op ons dorp zouden we de club niet graag missen.

Veel is ons reeds ontnomen, het vertrek van duizenden naar het buitenland dreigt alle vereenigingsleven kapot te maken, maar laat dit juist een zweepslag zijn, om dat te behouden waar we altijd voor gewerkt hebben, m.a.w. we mogen nooit capituleren.

Op het oogenblik zijn we allen vol goede moed, maar laat dit ook zoo zijn als straks de werkzaamheden voor de club U roepen.

In dit verband wil ik nog wijzen op het prachtige werk wat de terreincommissie in de afgeloopen jaren heeft gepresteerd.

Het eerste elftal heeft op ondubbelzinnige wijze getoond wat men in goede kameraadschap kan bereiken.

Niet de techniek of tactiek heeft de sterke tegenstanders doen verliezen, maar wel de heilige wil om bij het tweede lustrum de vereeniging het kampioenschap aan te bieden.

Moge dit voorbeeld een stimulans zijn om op de komende zware etappe zo door te gaan, de vereeniging zal er wel bij varen!

Henk Ubbels Sr.